Hoofdstuk 8: Versterkende Elementen
Na dioden voor gelijkrichting maken we nu de stap naar onderdelen die spanning, stroom en/of vermogen kunnen versterken. We richten ons vooral op bipolaire transistoren en behandelen ook kort de veldeffect-transistor (FET). Enige kennis van de werking van halfgeleiderdioden uit het vorige hoofdstuk is nodig om deze versterkende elementen te kunnen begrijpen.
1. Inleiding
Versterkerschakelingen worden gebouwd rond transistoren of FET's. Deze moeten goed worden ingesteld om de schakeling naar behoren te laten werken. Dat gebeurt met weerstanden.
De rol van weerstanden is:
- De elementen zo instellen dat ze doen wat ze moeten doen
- Omzetting van signaal van stroom naar spanning
Herhaling Wet van Ohm:
U = I × R | I = U / R | R = U / I
Tip: Dek de grootheid die je zoekt af in het driehoekje (U bovenaan, I×R onderaan) en je ziet de formule.
2. De Transistor
2.1 Opbouw en werking
Een transistor kun je zien als twee in tegengestelde richting geschakelde dioden met een gemeenschappelijke anode (of kathode). Stel je twee dioden voor die met hun anodes aan elkaar zijn verbonden: normaal zou er geen stroom kunnen lopen omdat altijd een van beide spert. Maar als je de gemeenschappelijke anode een klein stroompje geeft, gebeurt er iets bijzonders: er gaat een veel grotere stroom door beide dioden lopen. De drie aansluitingen heten:
Examenstof - Transistor elektroden:
- Emitter - "uitzender" van ladingdragers (de bron waar elektronen of gaten vandaan komen)
- Basis - de dunne middenlaag die de stroom stuurt (hier vindt de "magie" plaats)
- Collector - "verzamelaar" van ladingdragers (vangt de meeste ladingdragers op)
De werking in het kort:
- Een kleine basisstroom stuurt een (veel) grotere collectorstroom
- De emitterstroom is de som van basis- en collectorstroom
- De collectorstroom is typisch 10 tot 100+ keer zo groot als de basisstroom
Waarom werkt dit?
Elektronen komen de transistor binnen via de emitter en gaan naar de basis. Normaal zouden ze daar recombineren met de gaten in het P-materiaal van de basis. Maar de collector heeft een hogere positieve spanning, waardoor de meeste elektronen worden "weggetrokken" naar de collector voordat ze kunnen recombineren. Ze zijn de gaten in de basis zogezegd "te snel af". Zo ontstaat er een grote collectorstroom uit een kleine basisstroom.
2.2 NPN en PNP transistoren
Er zijn twee "smaken" transistoren, afhankelijk van hoe de halfgeleidermaterialen zijn gestapeld:
NPN-transistor
- N-materiaal aan weerskanten van P-basis
- Ladingdragers: elektronen
- Collector: positief t.o.v. emitter
- Pijl in symbool wijst naar buiten
PNP-transistor
- P-materiaal aan weerskanten van N-basis
- Ladingdragers: gaten
- Collector: negatief t.o.v. emitter
- Pijl in symbool wijst naar binnen
Ezelsbruggetje: Bij NPN wijst de pijl Naar buiten (Not Pointing iN). De werking is identiek, alleen de polariteiten zijn omgekeerd. Wat bij NPN plus is, is bij PNP min en omgekeerd. Je kunt het verschil herkennen aan de pijlpunt in het schemasymbool.
2.3 Drempelspanning basis-emitter
Emitter en basis vormen samen een diode in geleiding. Net als bij een gewone diode moet er een minimale spanning over staan voordat er stroom gaat lopen. De spanning over deze diode is:
Examenstof - Drempelspanning:
- Silicium (Si): circa 0,6 tot 0,7 V
- Germanium (Ge): circa 0,2 V
Silicium is tegenwoordig verreweg het meest gebruikte materiaal.
Een kleine verandering in de basis-emitterspanning veroorzaakt een grote verandering in de collectorstroom. Bijvoorbeeld: een verandering van 0,7 naar 0,8 V kan de collectorstroom van 100 mA naar 400 mA laten stijgen! Daarom moet een transistor goed worden ingesteld om stabiel te werken en niet door te slaan.
2.4 Instellen van een transistor
Een transistor in een versterkerschakeling wordt ingesteld met weerstanden. De stroom door de transistor moet zodanig zijn dat de transistor heel blijft en dat het versterkte signaal er met zo min mogelijk vervorming uitkomt.
| Weerstand |
Symbool |
Functie |
| Basisweerstanden |
Rb1, Rb2 |
Instellen van de basisspanning (spanningsdeler) |
| Collectorweerstand |
Rc |
Zet collectorstroom om in spanning voor volgende trap |
| Emitterweerstand |
Re |
Stabiliseert de werking, voorkomt "weglopen" |
De basisspanning is bij Si: spanning over Re + 0,6-0,7 V (de basis-emitterdiode).
Waarom stabiliseert Re?
Als de collectorstroom dreigt toe te nemen (bijvoorbeeld door opwarming), stijgt ook de spanning over Re. Daardoor daalt de spanning over de basis-emitterdiode, wat de basisstroom verlaagt en de collectorstroom weer terug brengt. Zo remt Re het "weglopen" van de transistor af.
2.5 Spanningsversterking
Omdat de basisstroom veel kleiner is dan de emitterstroom (denk aan ~1%), zijn emitterstroom en collectorstroom vrijwel gelijk. De spanningsversterking is dan:
Spanningsversterking ≈ Rc / Re
Examenstof: De spanningsversterking is bij benadering gelijk aan de verhouding collectorweerstand : emitterweerstand.
Voorbeeld: Met Rc = 3,3 kΩ en Re = 1 kΩ is de versterking ongeveer 3,3×.
Hoe kan de spanning worden versterkt?
Je stopt een kleine wisselspanning in (op de basis) en krijgt een grotere wisselspanning uit (op de collector). Dit kan omdat de transistorstroom vrijwel helemaal wordt bepaald door de kleine spanningsvariatie over de basis-emitterdiode. De veel grotere spanning tussen collector en emitter heeft daar nauwelijks invloed op. De benodigde energie komt uit de voedingsspanning, die daarom voldoende hoog moet zijn.
Let op: Tegenfase!
Bij een transistorversterker zijn ingangs- en uitgangssignaal in tegenfase: als de ingangsspanning maximaal is, is de uitgangsspanning minimaal en omgekeerd. Dit komt doordat een hogere basisspanning leidt tot meer collectorstroom, waardoor de spanning over Rc toeneemt en de collectorspanning daalt.
3. De Veldeffect-Transistor (FET)
3.1 Verschil met de "gewone" transistor
De FET (Field Effect Transistor) werkt fundamenteel anders dan de bipolaire transistor. Het belangrijkste verschil is dat een FET wordt aangestuurd door een spanning in plaats van een stroom:
| Eigenschap |
Transistor |
FET |
| Aangestuurd door |
Stroom (basisstroom) |
Spanning (gatespanning) |
| Stuurelektrode |
Basis (geleidt) |
Gate (spert altijd) |
| Stuurstroom nodig? |
Ja, basisstroom |
Nee, praktisch geen gatestroom |
| Ingangsweerstand |
Relatief laag |
Zeer hoog (MΩ-bereik) |
Praktisch gevolg: Doordat de FET geen stuurstroom nodig heeft, belast hij de voorafgaande schakeling nauwelijks. Dit maakt de FET ideaal voor toepassingen waar een hoge ingangsweerstand gewenst is, zoals bij gevoelige meetinstrumenten of als eerste trap in een ontvanger.
3.2 Opbouw en werking
Een FET heeft een PN-junctie die altijd spert. Dit is het grote verschil met een transistor, waar de basis-emitter junctie juist geleidt. De stroom gaat niet door de junctie, maar erlangs door het kanaal. De breedte van de uitputtingszone (het gebied zonder vrije ladingdragers rond de junctie) regelt hoeveel stroom er kan lopen.
Examenstof - FET elektroden:
- Source - waar ladingdragers binnenkomen (vergelijkbaar met de emitter)
- Drain - waar ladingdragers naar buiten gaan (vergelijkbaar met de collector)
- Gate - stuurelektrode die de kanaalbreedte regelt via de uitputtingszone (maar laat zelf geen stroom door!)
Wat is de uitputtingszone?
Rond elke PN-junctie is een gebied waar geen vrije ladingdragers aanwezig zijn: de uitputtingszone. Bij een FET gebruikt men dit verschijnsel om de stroom te regelen. Door de gatespanning te veranderen, verandert de dikte van de uitputtingszone. Een dikkere uitputtingszone betekent een smaller kanaal en dus minder stroom.
3.3 N-FET en P-FET
Net als bij transistoren zijn er twee types, afhankelijk van het materiaal van het kanaal:
N-FET (N-kanaal)
- Kanaal van N-materiaal
- Gate van P-materiaal
- Ladingdragers: elektronen
- Gate: 0V of negatief t.o.v. source
- Drain: positief t.o.v. source
P-FET (P-kanaal)
- Kanaal van P-materiaal
- Gate van N-materiaal
- Ladingdragers: gaten
- Gate: 0V of positief t.o.v. source
- Drain: negatief t.o.v. source
Het verschil in schemasymbool zie je aan de pijlrichting van de gate. De polariteiten zijn bij N-FET en P-FET tegengesteld, net als bij NPN en PNP transistoren.
3.4 Werking van de FET
- Er loopt alleen stroom door het kanaal
- De gate spert altijd - er loopt (bijna) geen gatestroom
- De gatespanning regelt de dikte van de uitputtingszone en daarmee de effectieve kanaalbreedte
- Richting drain wordt de uitputtingszone breder en het kanaal smaller (door de toenemende spanning)
- Sourcestroom en drainstroom zijn even groot
Het mechanisme in detail:
De spanning in het kanaal verandert geleidelijk van sourcespanning naar drainspanning. Omdat de gatespanning constant blijft, neemt de spanning over de junctie toe naarmate je dichter bij de drain komt. Daardoor wordt de uitputtingszone daar breder en het effectief geleidende deel van het kanaal smaller. Dit "zelfbeperkende" effect zorgt ervoor dat de drainstroom relatief constant blijft, zelfs als de drain-sourcespanning verandert.
Vergelijking met transistor:
Net als bij de transistor heeft de drain-sourcespanning (behalve bij heel lage waarden) weinig invloed op de drainstroom. Dit is vergelijkbaar met de geringe invloed van de collectorspanning op de collectorstroom. In beide gevallen wordt de stroom vooral bepaald door de spanning op de stuurelektrode (basis of gate).
3.5 FET-versterkerschakeling
Een FET-versterker lijkt op een transistorversterker, maar met een belangrijk verschil:
- Geen weerstand tussen gate en voeding nodig (er loopt geen gatestroom)
- Alleen een (hoge) gateweerstand RG naar 0V of de voedingsspanning
- RG is typisch 1 MΩ of hoger - dit mag omdat de sperrende gate een nog veel hogere weerstand heeft
De spanningsversterking is ook hier ongeveer RD/RS, maar iets kleiner dan bij een transistor door eigenschapsverschillen tussen beide componenten.
Ook bij FET: tegenfase!
Net als bij de transistor zijn ingangs- en uitgangssignaal in tegenfase. Dit komt door hetzelfde principe: meer gatespanning betekent meer drainstroom, meer spanning over RD, en dus een lagere drainspanning.
4. Herkenning en Uiterlijk
Transistoren en FET's zijn op het oog niet van elkaar te onderscheiden. Ze komen in vele behuizingen voor, van heel klein tot groot (vermogenstransistoren met koelplaatbevestiging). De grotere exemplaren hebben vaak een gat om ze op een koelplaat te kunnen schroeven, omdat ze meer vermogen moeten afvoeren.
Om te weten wat je hebt, heb je het typenummer nodig dat er altijd op staat. Hiermee kun je in datasheets opzoeken of het een transistor of FET is, en welk type (NPN/PNP of N-FET/P-FET). Het materiaal (Si of Ge) staat ook in de datasheet - tegenwoordig is vrijwel alles silicium.
5. Samenvatting
Kernpunten voor het examen:
- Transistor: stroomversterker, kleine basisstroom stuurt grote collectorstroom
- Transistor elektroden: emitter, basis, collector
- NPN vs PNP: tegengestelde polariteiten, NPN gebruikt elektronen, PNP gaten
- Drempelspanning basis-emitter: Si ~0,6-0,7 V, Ge ~0,2 V
- Spanningsversterking transistor: ≈ Rc / Re
- FET: spanningsgestuurd, de gate spert altijd (geen gatestroom)
- FET elektroden: source, drain, gate
- N-FET vs P-FET: tegengestelde polariteiten
- Spanningsversterking FET: ≈ RD / RS
- Tegenfase: bij beide typen zijn in- en uitgangssignaal in tegenfase
- FET's komen vooral voor in foute antwoorden bij examenvragen over het N-programma