Dit hoofdstuk behandelt de fundamentele begrippen van elektriciteit: stroom, spanning, weerstand en vermogen. Deze concepten vormen de basis voor alle volgende hoofdstukken.
Alle stoffen bestaan uit atomen. Een atoom bevat:
Een atoom is normaal gesproken elektrisch neutraal: evenveel protonen als elektronen. De lading van een proton en die van een elektron zijn even groot, maar tegengesteld. Als er elektronen worden toegevoegd of weggehaald, ontstaat een ion (geladen deeltje). Een ion met te weinig elektronen is positief geladen; een ion met te veel elektronen is negatief geladen.
In sommige stoffen kunnen elektronen gemakkelijk van het ene atoom naar het andere springen. In andere stoffen zitten de elektronen veel "vaster" en kunnen ze zich moeilijk verplaatsen. Dit verschil bepaalt of een stof een geleider of isolator is.
| Type | Eigenschap | Voorbeelden |
|---|---|---|
| Geleider | Elektronen bewegen gemakkelijk | Alle metalen (koper, zilver, aluminium) |
| Isolator | Elektronen bewegen moeilijk | Glas, rubber, kunststof, porselein |
Er is geen geleidelijke overgang tussen geleiders en isolatoren: een stof isoleert of geleidt. Wel zijn er goede en minder goede geleiders, en goede en minder goede isolatoren. Zilver geleidt bijvoorbeeld beter dan ijzer, maar beide zijn geleiders.
Elektrische stroom is de verplaatsing van elektronen door een geleider. Dit gebeurt wanneer er een verschil in lading bestaat tussen twee punten. Elektronen "springen" dan van atoom naar atoom, van het punt met overschot naar het punt met tekort, totdat alles weer elektrisch neutraal is.
| Grootheid | Symbool | Eenheid | Betekenis |
|---|---|---|---|
| Spanning | U | volt (V) | Potentiaalverschil; de "druk" die elektronen voortduwt |
| Stroom | I | ampere (A) | Hoeveelheid lading die per seconde stroomt |
| Weerstand | R | ohm (Ω) | De mate waarin stroom wordt tegengehouden |
Er zijn twee conventies:
In de praktijk gebruiken we vrijwel altijd de technische stroomrichting. Dit is historisch zo gegroeid: lang geleden wist men al dat er twee soorten lading bestonden, maar pas later ontdekte men dat elektronen (de "minnen") de werkelijke ladingsdragers zijn. De technische stroomrichting was toen al ingeburgerd.
Dit is een van de belangrijkste verbanden in de elektriciteitsleer. Het zegt dat stroom evenredig is met spanning en omgekeerd evenredig met weerstand: meer spanning betekent meer stroom, meer weerstand betekent minder stroom.
Afgeleid:
De weerstand van een geleider hangt af van:
Je kunt dit vergelijken met water dat door een buis wordt gepompt: hoe wijder de buis, des te gemakkelijker loopt water erdoorheen, en hoe langer de buis, des te harder moet er gepompt worden.
waarbij ρ (rho) de soortelijke weerstand is in Ω·m. De soortelijke weerstand is een materiaaleigenschap die aangeeft hoe goed of slecht een materiaal geleidt.
| Materiaal | ρ in Ω·m | Opmerking |
|---|---|---|
| Zilver | 0,016×10-6 | Beste geleider |
| Koper | 0,017×10-6 | Meest gebruikt |
| Aluminium | 0,026×10-6 | Licht, voor hoogspanningsleidingen |
| IJzer | 0,10×10-6 | |
| Constantaan | 0,49×10-6 | Weinig temperatuurafhankelijk, voor ijkweerstanden |
Energie (symbool W) is het vermogen om arbeid te verrichten. In de natuurkunde betekenen energie en arbeid hetzelfde - je kunt ze door elkaar gebruiken. Eenheid: joule (J).
Vermogen (symbool P) is energie per tijdseenheid - oftewel hoe snel energie wordt omgezet of verbruikt. Eenheid: watt (W).
Omrekening: 1 kWh = 3,6 MJ (kilowattuur naar joule). De kilowattuur is de eenheid die je op je energierekening ziet - het is de energie die een apparaat van 1000 W in een uur verbruikt.
Met de wet van Ohm kun je ook schrijven:
Dissipatie is het omzetten van elektrische energie in warmte. Een weerstand waar stroom doorheen loopt wordt warm - dit is gedissipeerd vermogen. Het woord "dissiperen" mag je vervangen door "verbruiken". Soms is die warmte onmerkbaar weinig, soms kun je er letterlijk je vingers aan branden. Als je van spanning, stroom en weerstand er twee kent, kun je het gedissipeerde vermogen berekenen.
Elektronen zijn onzichtbaar. Met meetinstrumenten kunnen we elektriciteit aantonen en meten. Hierbij is het basisprincipe dat de meting zo min mogelijk invloed heeft op wat we meten - een meetinstrument mag het meetresultaat niet te veel veranderen.
In schema's worden standaardsymbolen gebruikt. Een weerstand wordt weergegeven als een rechthoek of zigzaglijn. De waarde kan in het symbool staan, waarbij de komma wordt vervangen door een letter:
1E0 of 1R0 = 1,0 Ω4k7 of 4K7 = 4,7 kΩ = 4700 Ω2M2 = 2,2 MΩE39 of R39 = 0,39 Ω| Meting | Meter | Aansluiting | Inwendige weerstand |
|---|---|---|---|
| Spanning | Voltmeter | Over de schakeling (parallel) | Zeer hoog |
| Stroom | Ampèremeter | In de schakeling (serie) | Zeer laag |
| Weerstand | Ohmmeter | Over de losse weerstand | n.v.t. |
Let op: Een weerstand die in een schakeling zit kun je niet zomaar meten - de ohmmeter "ziet" dan ook de andere weerstanden in de schakeling. De meter meet dan een zogenoemde vervangingsweerstand van alle weerstanden samen. Haal de weerstand eerst los!
Weerstanden hebben gekleurde ringen die de waarde aangeven. Bij het 4-ringensysteem:
| Kleur | Cijfer (ring 1&2) | Factor (ring 3) | Tolerantie (ring 4) |
|---|---|---|---|
| Zwart | 0 | ×1 | - |
| Bruin | 1 | ×10 | ±1% |
| Rood | 2 | ×100 | ±2% |
| Oranje | 3 | ×1000 | - |
| Geel | 4 | ×10 000 | - |
| Groen | 5 | ×100 000 | ±0,5% |
| Blauw | 6 | ×1 000 000 | - |
| Violet | 7 | - | - |
| Grijs | 8 | - | - |
| Wit | 9 | - | - |
| Zilver | - | - | ±10% |
| Goud | - | - | ±5% |
Voorbeeld: Bruin-Grijs-Rood-Zilver = 1-8-×100-±10% = 1800 Ω ±10% = 1,8 kΩ. Dit betekent dat de werkelijke waarde tussen 1620 Ω en 1980 Ω mag liggen.
De wetten van Kirchhoff zijn behoudswetten: ze zeggen dat stroom en spanning niet uit het niets ontstaan of verdwijnen.
Eerste wet (stroomwet): De som van alle stromen naar een knooppunt is gelijk aan de som van alle stromen die het knooppunt verlaten. Oftewel: stroom gaat niet verloren - wat erin gaat, moet er ook weer uit.
Tweede wet (spanningswet): De som van alle spanningen in een gesloten kring is nul. Oftewel: spanning die de bron levert wordt volledig "verbruikt" over de weerstanden. Als je de hele kring rondgaat en alle spanningen optelt (met de juiste tekens), kom je op nul uit.
Weerstanden in serie staan achter elkaar (kop-staart). De stroom heeft maar een weg en moet door alle weerstanden achter elkaar.
Een serieschakeling van weerstanden werkt als spanningsdeler: de spanning wordt verdeeld over de weerstanden, evenredig met hun waarde. Over de grootste weerstand staat de grootste spanning. Dit is een veel gebruikte techniek om een lagere spanning te verkrijgen uit een hogere.
Een potentiometer is een variabele spanningsdeler met een schuifcontact. Door het schuifcontact te verplaatsen, verander je de verhouding tussen de weerstandsdelen en daarmee de uitgangsspanning.
Weerstanden staan parallel als ze dezelfde aansluitpunten hebben. De stroom kan nu meerdere wegen kiezen - door elke weerstand loopt een deel van de totale stroom.
Voor twee parallelweerstanden geldt de handige formule:
Bij gecombineerde serie- en parallelschakelingen werk je stap voor stap van achter naar voren:
Dit is zoals vereenvoudigen in de wiskunde: je werkt steeds een stukje uit totdat je een simpel resultaat hebt.
In theorie zijn er ideale onderdelen die precies doen wat ze horen te doen. De dagelijkse werkelijkheid komt in de buurt, maar is er nooit helemaal gelijk aan.
| Ideale bron | Niet-ideale (echte) bron | |
|---|---|---|
| Inwendige weerstand | 0 Ω | Ri > 0 |
| Klemspanning bij belasting | Constant (= bronspanning) | Daalt bij hogere stroom |
| Kortsluitstroom | Oneindig | Beperkt door Ri |
Het verschil tussen EMK en klemspanning wordt veroorzaakt door de inwendige weerstand: een deel van de spanning "valt" over de inwendige weerstand en is dus niet beschikbaar voor de belasting.
Voorbeeld: Een batterij met EMK = 4,5 V en Ri = 1 Ω levert 0,5 A. De klemspanning is: 4,5 - (0,5 × 1) = 4,0 V. Je "verliest" 0,5 V over de inwendige weerstand.
Een niet-ideale bron levert het maximale vermogen aan een belasting wanneer:
Dit heet impedantie-aanpassing of matching. Het is het principe achter het aanpassen van een zender aan een antenne! Als de weerstanden niet gelijk zijn, wordt er minder vermogen overgedragen.
Serieschakeling:
Parallelschakeling:
De capaciteit van een batterij wordt uitgedrukt in Ah (ampere-uur) of mAh.